Ook Buren heeft haar Olympisch kampioen

De Kruijff introduceerde 'verlichte zit' in Nederland

BUREN Twee dagen na de Gouden Olympische medaille voor de Beusichemse roeier Toon Beijnen in Parijs in 1924, stond daar ineens de uit Buren afkomstige springruiter Gerard de Kruijff op de hoogste trede. Niets, ook zijn bescheiden graf in Zutphen niet, herinnert nog aan zijn prestaties. Hoog tijd om met deze grote onbekende kennis te maken.

Gerard Pieter de Kruijff werd geboren op 27 januari 1890 in een statig herenhuis aan de Herenstraat 19 (vh. De Groote Kerkstraat) in de binnenstad van Buren. Zijn ouders waren koopman Pieter de Kruijff (1851-1920) en Angenissa van Steenis (1855-1935). Ze trouwden in 1879 en kregen samen negen kinderen.

Na zijn lagere school in Buren en de HBS in Tiel, begon Jacob in 1910 zijn militaire loopbaan in Venlo, waar hij luitenant der huzaren werd. Al spoedig ontwikkelde hij zich daar als een uitstekende ruiter en was hij op talrijke binnenlandse concoursen te zien.

Handkus

Zijn eerste internationale concours vond in 1920 plaats in het Engelse Aldershot waar hij in de Military Ride meteen de tweede plaats greep. Bij het voorstellen aan de Engelse koningin wilde de onervaren Gerard haar een handkus geven, maar toucheerde daarbij met zijn muts onhandig haar neus.

In datzelfde jaar trouwde Gerard in Amsterdam met de Amersfoortse Gijsberta "Tilly of Gijs" Hamers (1893-1992). Zij kwam een uit een zeer groot katholiek gezin en trouwde met een niet-katholiek die tot de betere kring behoorde, waarin haar familie zich niet bewoog en zelfs tegenop keek.

Begin jaren twintig kocht Gerard met geleend geld van zijn moeder voor F2000,- het paard Caprilli. Dit zou zijn meest favoriete paard uit zijn leven worden. Zijn motto was: "Om op springconcoursen topprijzen te winnen moet men 1. een paard van topklasse hebben, 2. een goed ruiter zijn en 3, het geluk mee hebben. Hij won er heel veel internationale wedstrijden mee en kon daardoor het paard enkele jaren later verkopen voor F20.000,-

Paardensport stond voor het eerst op het programma van de Olympische Spelen van 1900 in Parijs. In die dagen waren sporten als schermen en de ruitersport nauw verbonden met het leger. Vandaar dat bij de eerste Olympische Spelen je alleen als ruiter kon deelnemen als je legerofficier was bij één van de bereden wapens Artillerie, Cavalerie of Marechaussee en was aangesloten bij de KMSV (Koninklijke Militaire Sportvereeniging).

Op de eerste Spelen werden naast het springconcours ook nog wedstrijden gehouden in hoogspringen en verspringen en in 1920 stond er eenmalig zelfs de discipline voltige, acrobatiek op bewegend paard, op het programma. 

Military

Het was Nederland bij de eerste acht edities van de Spelen nog nooit gelukt om in de paardensport een medaille te halen. Op zaterdag 26 juli 1924 lukte het vier Luitenants der Huzaren toen zij een gouden medaille in teamverband wonnen in de samengestelde wedstrijd, ook wel military genoemd. Volgens de Olympische gedachte wordt naast de ruiter ook het paard gezien als een atleet en dat wordt derhalve ook met naam en toenaam genoemd en geëerd: dus de eerste-luitenants der Huzaren Anton Colenbrander met King of Hearts, Charles Pahud de Mortanges met Johnnie Walker, Dolf van der Voort van Zijp met Silver Piece en Burennaar Gerard de Kruijff met Addio.

Zo'n samengestelde wedstrijd bestond in 1924 uit de volgende drie onderdelen: 

dag 1: een dressuurproef

dag 2: een uitzonderlijk zware uithoudingsproef van 36 km in vijf etappes: een wegparcours van 7 km door het Bois de Boulogne, een steeple chase van 4 km met dertien hindernissen, een wegparcours van 15 km, een crosscountry van 8 km met 27 hindernissen en een wegparcours van 2 km

dag 3: een concours hippique met twaalf hindernissen van 1.10-1.15 m hoog

Prolongatie

Op de eerstvolgende Olympische Spelen in Amsterdam had Gerard pech dat zijn eigen paard Kakkerlak vlak voor de start van de Spelen kreupel was geworden. Nu kwam hij onvoorbereid aan de start met Va-t'-en, een geleend paard uit de stal van zijn collega Charles Pahud de Mortanges. Desondanks behaalde De Kruijff zijn tweede gouden plak op zijn favoriete discipline de Military (tegenwoordig eventing). Een prestatie van formaat. Al hing die medaille nog even aan een zijden draad, doordat er een protest werd ingediend, omdat zijn teamgenoot Dolf van der Voort van Zijp met zijn merrie Silver Pierce een vlag zou hebben gemist. Gelukkig kon men echter aantonen dat de gewraakte vlag niet tot het parcours hoorde. Zij werden de eerste Nederlandse Olympiërs die erin slaagden een titel te prolongeren.

Bij de individuele wedstrijd ging Gerard na de dressuur nog aan de leiding. Tijdens de uithoudingsproef moest hij deze afstaan aan Pahud de Mortanges, die deze niet meer afstond in het concours hippique, waardoor Gerard het zilver haalde in het eindklassement.

Verlichte zit

De Kruijff had groot ontzag voor de Italiaanse rijscholen en haalde daar veel inspiratie uit. Vandaar dat Gerard na zijn opleiding aan de K.M.A. in Breda in 1926 in Italië werd gedetacheerd bij de gerenommeerde Cavalerierijscholen Pinerolo en Tor di Quinto in Rome. Hier maakte hij kennis met de door Caprilli ontwikkelde zgn. 'verlichte zit', de manier van springen zoals wij die nu kennen. Dit is de houding waarbij de ruiter bij het springen vanwege de kortere beugels ietwat in de beugels staat. Hij klemt daarbij de knieën tegen het zadel en brengt zijn bovenlichaam iets naar voren. Op deze wijze heeft het paard tijdens de sprong zo min mogelijk last van de ruiter.

Gerard kwam volkomen bekeerd terug en 'bezeten' van deze nieuwe methode, maar in Nederland stond men sceptisch tegenover dat nieuwe buitenlands gedoe. De bereden wapens in het leger die toen de toon aangaven in de hippische wereld, vonden het onnodig en een gewaagd huzarenstukje. De oude 'mannen' die hun hele leven hun bestaan en trots dankten aan het 'recht opzitten', spraken schamper over deze verandering.

Gerard zette zijn wil door en begon in kleine kring, vooral bij jongeren, de nieuwe methode uit te dragen. Eén van zijn stelregels was: 'Voor het militaire rijden moet alles eenvoudig zijn; het eenvoudige is al moeilijk genoeg.'

Hij had en zeer goed verstand, wist andere goed aan te voelen, was erg sociaal, en beschikte over een flinke dosis humor. Deze kwaliteiten kwamen hem goed van pas, want hij mocht tenslotte zijn nieuwverworven kennis toepassen op een aan hem toegewezen eskadron. De vorderingen in terreinrijden en springen waren verbluffend.

Gerard maakte snel carrière in het leger: van Luitenant cavalerie, Majoor der Huzaren, Ritmeester der huzaren tot uiteindelijk Kolonel cavalerie. Ook kreeg hij veel onderscheidingen wo. die van Ridder van Oranje-Nassau met de zwaarden.

Privé ging het een stuk minder voor de wind, want Gerard raakte te gecharmeerd van Barones Henriëtte "Adéle" Bentinck (1904-1993). Niet lang scheidde hij van zijn vrouw Tilly in maart 1934. Een maand later trad Gerard al in het huwelijk met zijn Barones. Zij had al twee dochters uit een eerder huwelijk met Idzard Louis Douwe baron Sirtema van Grovestins, die als eerste Nederlander uitkwam op de military op de Spelen van Antwerpen in 1920. In het Overijsselse Gorssel kregen ze samen nog twee kinderen.

Tilly trouwde vervolgens met Gerards oudere broer Jozua Marinus "Mas" (1884-1952) die uiterlijk sprekend op hem leek, tevens actief was in de hippische wereld en als luitenant-kolonel bij de artillerie ook een hoge positie had in het leger. Volgens familieoverlevering had Mas al langer een oogje op haar. Beiden woonden in Bennekom.

Eresaluut

Toen Gerard vanwege zijn leeftijd niet meer actief kon deelnemen, trad hij vaak op als adviseur voor anderen. Hij was steeds bereid om wie vooruit wilde in de ruitersport te helpen. Tot op hoge leeftijd werd hij nog steeds gevraagd als jurylid bij springconcoursen.

Gerard genoot tot kort voor zijn overlijden nog van een goede gezondheid, maar hij overleed plotseling op 16 oktober 1968 in een ziekenhuis in Zutphen aan de gevolgen van een hartaanval.

Een eresaluut voor hem is op zijn plaats, want hij schonk aan ruitersport-minnend Nederland zijn hippische nalatenschap. Hij was geen man van veel woorden, het waren de daden die telden.

Buren kan trots zijn op Gerard de Kruijff. Het blijft daarom vreemd dat er geen enkele herinnering aan deze Olympische legende in het stadje te vinden is. Een klein informatiebordje op zijn geboortehuis en/of een straatnaam zou toch wel recht doen aan zijn Olympische prestaties.

Mocht u nog over aanvullende informatie beschikken, dan kunt u contact opnemen met Richard van de Velde, telnr. 0345-502583 of via r.velde@hetnet.nl